Selectieve eters en voedselneofobie

  • Brenda Fassart

Neofobie of “picky eating”?

Een gezonde en evenwichtige voeding is zeer belangrijk voor de goede lichamelijke ontwikkeling van een kind. Nutrinews (2016) wijst erop dat jonge kinderen nog veel te weinig groenten en fruit eten.

Het weigeren en verwerpen van voedsel door jonge kinderen kan opgedeeld worden in 2 groepen:

a Neofobie is in “Appetite” 96 (2016) gedefinieerd als het weigeren van nieuw en onbekend voedsel. Ellen Moens en Julie Vandewalle, obesitasonderzoekers verbonden aan de vakgroep Ontwikkelings-, persoonlijkheids-  en Sociale psychologie van de Universiteit Gent voegen hieraan toe dat bij voedselneofobie het voedsel geweigerd wordt op basis van zijn uitzicht en/of de geur. Dit gebeurt hoofdzakelijk bij groenten en fruit. Bij het in de mond nemen van dit voedingsmiddel is de neofobie overwonnen.

b Selectief eten of picky eating komt voor bij nieuw voedsel, maar ook nadat er reeds geproefd werd. Ook hier betreft het hoofdzakelijk groenten en fruit.

Beide groepen komen leeftijdsgebonden voor.

Oorzaken en ontwikkeling

Alle bronnen zijn het erover eens dat deze 2 voedingsstoornissen worden veroorzaakt door een aantal verschillende factoren; enerzijds de genetische factoren en anderzijds de psychologische gestuurde factoren.

De ontwikkeling van de voedselvoorkeur evolueert naarmate het kind ouder wordt en dit gebeurt in 3 fasen.

  • In de eerste helft van het eerste levensjaar bestaat de voeding enkel uit melk. Bij flesvoeding is de smaak zeer monotoon, bij borstvoeding krijgt het kind via de moedermelk de smaken uit de voeding van de moeder mee. Kinderen die borstvoeding krijgen, worden reeds gewend gemaakt aan een groot smakenpallet terwijl kinderen die flesvoeding krijgen enkel die smaak kennen.
  • In de tweede fase tussen 12 en 24 maanden waar het kind mobiel wordt en zelf op ontdekking gaat, speelt onze aangeboren afkeur voor zuur en bitter een belangrijke rol. Deze afkeur voorkomt dat we als kind iets eten wat slecht is voor ons, bijvoorbeeld voedsel dat bedorven is of dat we iets eten wat giftig is. We hebben van nature de voorkeur voor zoete en zoute smaken en voor energierijk voedsel dat ons een voldaan gevoel geeft.
  • In de derde fase tussen 2 en 6 jaar manifesteert zich het selectief eten, wat ook wel “picky eating” genoemd wordt, naast de neofobie die eerder al besproken werd. (Moens)

Waar neofobie overwonnen is bij het proeven, duurt “picky eating” nog voort. Volgens Moens kan het van 3 tot 15 proefpogingen vergen om een voedingsmiddel voor een kind aanvaardbaar te maken.

Naast genetische voorkeuren, de aangeboren afkeer voor zuur en bitter, zijn er ook psychologische voorkeuren.

Eén van de psychologische factoren in deze fase is de beloningsgevoeligheid.  De drang naar energierijke voedingsmiddelen is dus groter dan naar groenten en fruit. De reactie komt bij alle kinderen voor , maar niet bij alle kinderen in even sterke mate. Het ene kind is hier gevoeliger voor dan het andere.

Een andere factor is de omgevingsfactor. De primaire zorgfiguren spelen hierin een zeer belangrijke rol, niet alleen bij de ontwikkeling van voedselvoorkeuren, maar ook bij het psychosociale welzijn van het kind.  “Appetite” legt uit dat kinderen hun gedrag aanpassen aan het gedrag van anderen waarmee ze aan tafel zitten. Hieruit blijkt het belang van de gezinsmaaltijd als sociaal gebeuren. Kinderen zijn geneigd het gedrag van personen die ze graag hebben te imiteren, dit wordt nog gestimuleerd wanneer dat gedrag ook nog beloond wordt.

Strategie

Volgens zowel Moens en Nutrinews rust de strategie op 3 peilers.

A. Herhaaldelijke blootstelling

Het is aangewezen om steeds opnieuw het eerder geweigerde voedingsmiddel opnieuw aan te bieden. Hierbij wordt ook gebruik gemaakt van klassieke conditionering (Denk maar aan de hond van Pavlov).  Een nieuw voedingsmiddel wordt hierbij gecombineerd met een reeds bekend voedingsmiddel dat goed in de smaak valt.

B. Modeling en rewarding (Gedrag kopiëren en belonen)

Het gewenste gedrag wordt voorgedaan door een ‘model’, dit kan bijvoorbeeld een broertje of een zusje zijn. Deze strategie werkt het best als het kind het model ook graag mag. Het model wordt beloond bij goed gedrag en het kind imiteert deze handeling en wordt uiteindelijk ook zelf beloond. In kinderdagverblijven en scholen wordt dit nog versterkt door aanwezigheid van meerdere modellen.

De gezinsmaaltijd is  een belangrijke aangelegenheid waar modeling plaatsvindt. De positieve invloed van de gezinsmaaltijd op de voedingskeuzes en het psychosociale welzijn van het kind werd door Eisenberg ME in 2004 al aangetoond. Verschillende maatschappelijke factoren liggen aan de basis dat er de laatste jaren minder frequent met het gezin samen aan tafel gegeten wordt.

Nutrinews benadrukt het belang van het soort gedrag dat wordt beloond. De belofte van een beloning bij het volledig leegeten van het bord kan het intern regulatiesysteem beïnvloeden. Zo wordt er niet meer geluisterd naar het verzadigingsgevoel wat op termijn kan leiden tot overgewicht. Het proeven op zich, ook al wordt het voedingsmiddel alsnog uitgespuwd, moet wel beloond worden.

Ook met het soort beloning moet voorzichtig omgesprongen worden. Belonen met dessert of zoetigheid is geen goed idee. Hierin bestaat het risico dat zoetigheid geassocieerd wordt met beloning wat ook op termijn problemen kan geven.

Beloningen die wel positieve invloed hebben, zijn tastbare -niet voedselbeloningen zoals stickers of niet-tastbare beloningen als een applausje.

C. Ouderlijke aanmoediging

De ouder neemt best de rol aan van positieve supporter en niet de rol van strenge controleur. Wanneer kinderen onder druk gezet worden om iets te proeven, wordt de afkeer voor dit voedingsmiddel meestal groter. Moens en Vandewalle benadrukken dus ook de mogelijkheid om het voedingsmiddel na het proeven uit te spuwen.

Conclusie

De ontwikkeling van smaak- en voedingsvoorkeuren zijn een leerproces. Het voorkomen van neofobie is hierbij een zeer normaal gegeven. Eens dit is overwonnen ligt de weg open naar een evenwichtig, gevarieerd voedingspatroon.

Moens en Vandewalle richten wel de aandacht op enkele mogelijke preventieve acties:

  • Borstvoeding stelt zuigelingen bloot aan een brede waaier van smaken uit de voeding van de moeder die flesvoeding niet kan bieden.
  • Herhaaldelijk aanbieden van een nieuw voedingsmiddel in een hapklare portie maakt het kind minder weigerachtig.
  • Wees als ouder het ideale voorbeeld. Zelf proeven moedigt aan tot proeven.
  • Vermijd tastbare(dure) of zoete beloningen voor het opeten van een voedingsmiddel.
  • Een ontspannen , positieve sfeer aan tafel is bevorderlijk voor het proef-gedrag.

Onderzoek toont aan dat de karakteristieken van zowel ouder als van het kind een rol spelen in het eetgedrag. Nutrinews besluit dat er nog meer concrete en duidelijke instructies moeten aangereikt worden naar de ouders toe.

Bronnen:

GEZONDE VOEDING VOOR PEUTERS EN KLEUTERS Voedingscel van de Vlaamse Vereniging Kindergeneeskunde Vlaamse Beroepsvereniging van Diëtisten Vlaamse Pediatrische diëtisten Kind en Gezin NICE (Nutrition Information Center) Vlaams Instituut Gezond Leven Kenniscentrum Eetexpert 2019

Gezonde voeding voor peuters en adviezen wanneer een kind niet eet Danielle van de Merwe

Over selectieve eters: een strijd aan tafel door Ellen Moens & Julie Vandewalle

consultaties kinderen en jongeren

Meer gerechten?